In de klinische praktijk behandelen we naar ‘wat wetenschappelijk bewezen is’. Dit is ook vaak een vraag die vanuit de patiënt zelf komt. Het lijkt tegenwoordig wel de ENIGE waarheid geworden. Als iets niet wetenschappelijk bewezen is, dan hebben we er ook geen vertrouwen in. En wat ik me dan afvraag; is dat terecht?

Tien jaar geleden had ik volmondig ‘JA’ gezegd. Maar nu ik heel wat jaren in de academische wetenschappelijke wereld heb meegedraaid, is mijn antwoord ‘NEE’.

De academische setting

Het beeld dat we hebben van de academische wetenschappelijke wereld is dat daar iedereen samen op zoek is naar de waarheid, om ziektes beter te leren begrijpen en behandelen. Dat is ook vaak het nobele doel waarmee iedereen start.

Maar wat blijkt: er spelen een heleboel andere belangen mee. Er is bijvoorbeeld een eigenbelang om hogerop te komen, er is een financieel belang, of je kunt afhankelijk zijn van iemand boven je. En dat maakt dat er een competitieve en individualistische sfeer wordt gecreëerd. Het primaire doel is dan niet meer om patiënten te helpen, maar om het specifieke onderzoeksgebied te domineren als expert.

Wanneer is de limiet bereikt?

Competitie zorgt er ook voor dat mensen beter hun best gaan doen natuurlijk, dus een beetje competitie kan in mijn ogen geen kwaad. Wel als dit teveel druk geeft waardoor het doorslaat en mensen uitvallen of keuzes maken die over het randje van ethisch handelen gaan.

Ook is niet alles meetbaar. Zeker in de (geestelijke) gezondheidszorg. We proberen veelal met vragenlijsten in kaart te brengen hoe iemand zich voelt, maar dat betekent dus ook dat diegene zijn gevoelens moet kunnen voelen en benoemen. En de vragen op dezelfde manier interpreteren als iemand anders. En die interpretatie, ook die jij als onderzoeker hebt, is gelimiteerd door je eigen denkproces. Of in andere woorden; je weet niet wat je niet weet.

Wetenschap versus intuitie

De wetenschap is voor ons een tool om op zoek te gaan naar het onbekende, om het onzichtbare zichtbaar te maken. Want kennis vergaren is een manier om controle te krijgen op het leven en wat ons overkomt. We zijn dan ook extreem op het rationele stuk van ons als mens gefocust. Dus als we iets begrijpen, kunnen we het ook veranderen of beter maken. En daar maken we richtlijnen en protocollen van, zodat we precies weten wat we moeten doen. Er is bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar of het uitmaakt of er een ervaren behandelaar tegenover de patiënt zit of niet. Daaruit bleek dat dit geen verschil maakt, en dat de verbetering in klachten puur door het volgen van dat specifieke behandelprotocol werd veroorzaakt. Maar al deze behandelaren waren natuurlijk geschoold in diezelfde behandelvorm, dus intuïtie en ervaring kreeg hierin denk ik weinig ruimte.

 

 

Als behandelaar ontwikkel je ook een soort ‘feeling’ of onderbuikgevoel voor je patiënten. Jij voelt dan vanzelf wat er nodig is voor iemand of wat iemand zou helpen op dat moment. Maar daar luisteren we bijna niet meer naar… We denken voornamelijk. En dat onderbuikgevoel heb je juist zo hard nodig om goed contact te maken met je patiënten, en ook om goed voor jezelf te (blijven) zorgen.

Mijn conclusie: de wetenschap moeten we zeker gebruiken en meenemen, maar als aanvulling op je ervaring en intuïtie als professional.

Mocht je naar meer nieuwsgierig zijn; ik heb het er samen met Karin van Maurik uitgebreid over in de podcast voor psychologen. Je kunt ‘m hier beluisteren: